‘Ik heb de Heer slechts één ding gevraagd, daar gaat mijn hele hart naar uit: dat ik mijn hele leven in het huis van de Heer mag blijven’.

– Psalm 27:4 –

Aan het einde van een dag hard werken voelt het o, zo goed om thuis te komen. Een plaats waar je gewoon je schoenen kan uitschoppen, rondlopen in je badjas en je geen zorgen hoeft te maken over wat iedereen wel van je denkt. Je eigen huis, waar je je lekker comfortabel voelt.

Mag ik je vragen; hoe comfortabel ben jij in ‘het huis van God’. En dan bedoel ik niet de kerk. Maar hoe comfortabel ben jij in de aanwezigheid van God? Voelt dat als een thuiskomen? Lekker neerploffen en met God praten. Of is ‘het huis van God’ een plek waar je alleen even naar toe gaat om je kracht, je bescherming op te halen?

God wil Zijn huis aanbieden, een plek waar Hij altijd aanwezig is, een plek om te wonen. Een plaats waar je lekker met Hem kan napraten over hoe je dag is geweest, of juist hoe jouw dag er vandaag uit gaat zien. Sterker nog, Hij verlangt ernaar om met je mee te gaan, waar je ook naar toegaat of wat je ook gaat doen, en om samen thuis te komen.

Toen God de kinderen van Israël door de woestijn leidde, was God er altijd; Hij ging gewoon niet even weg of kwam pas na een paar dagen opdagen. Nee, Hij was er altijd: aan de vuurzuil en de rookwolk kon je zien dat Hij er was.

De Psalmist zegt:

Het enige wat ik vraag van de Heer is: ik verlang er het meeste naar om te leven in het huis des Heren, al de dagen van mijn leven.

Het huis van de Heer, tabernakel, tent, tempel: ze vertegenwoordigen allemaal de verbondenheid met God. Het samenleven met Hem, met Degene die jou lief heeft. In Psalm 27 wilde David niet even gewoon stoppen en snel door de tempel lopen, hij was op zoek naar een verblijfplaats. Niet seizoensgebonden maar levenslang, dat was het streven van David. Een levenslange relatie met God, een plek waar hij kon wonen.

Mag ik vragen – woon jij bij jezelf of woon jij met God?